De ruige charme van ziek land

Vier parels uit de geschiedenis van de Waalse kolenbekkens zijn prachtig gerestaureerd en in juni van dit jaar op de Werelderfgoedlijst geplaatst. Het Sentier des Terrils, een langeafstandspad van de Borinage naar Luik, verbindt ze met elkaar. De wandelaar komt ook langs plekken waar het ruige verleden van de Waalse industrie niet is gerestaureerd, maar aan zijn lot wordt overgelaten. Mooi, maar stugge schoonheid is het wel.

Gepubliceerd in NRC Handelsblad 26-1-2013

Meer foto's

"Het is hier verschrikkelijk om te wonen. Er is helemaal geen groen!"  Het meisje in de buurtsuper van Dampremy, een van de mijnwerkersdorpen die zich aan de westkant van Charleroi aaneenrijgen, begint er spontaan over als ze onze rugzakjes ziet. Ze snapt niet wat toeristen in haar stad te zoeken hebben. Wij zijn juist een steile terril, een berg van mijnafval, aan het einde van haar straat afgedaald. "Ben je zelf al eens op die groene berg geweest?" vragen we. Ze zucht meewarig en schudt van nee. Toch zijn het oases in het duistere web van met roet bedekte woninkjes. Als je er boven op zo'n kunstmatige berg staat, ontstijg je letterlijk de grauwheid van de lintbebouwing. Het uitzicht is er fenomenaal. De hele ochtend is al noodweer voorspeld. Als we naar boven klimmen is de wolkenhemel nog schel van het licht. Bovenaan gekomen trekt de westelijke hemel dicht met regensluiers. Het licht wisselt steeds, je zou er foto's van willen blijven maken. Aan onze voeten liggen de donkerbruine restanten van twee hoogovens.  Het is als een film zonder geluid, alleen het verkeer gonst in de verte. Lang valt er niet te genieten van dit indrukwekkende panorama. De storm barst los, stortregen en harde windstoten dwingen tot afdalen.

Ziek land

Deze groene heuvels laten zien waar de mijnen lagen. Vroeger, toen er meer mijnafval was, lagen er nog meer terrils - genoemd naar het Franse woord voor 'ziek land'. De oudste bergen zijn weer afgegraven om er nog resten steenkool uit te halen. De terrils zijn vaste prik in de rondleidingen van Charleroi Adventure Safari, dat juist de lelijke, deprimerende kanten van de stad laat zien. Nicolas Buissart, drijvende kracht achter het project, typeert zijn klanten als wereldburgers die van hot naar haar hoppen op zoek naar intense belevenissen. Het ene weekend laven ze zich aan de nieuwste tentoonstelling van Damien Hurst in het Tate Modern, het volgende weekend bijten ze zich vast in de stugge schoonheid van industrieel verval in Charleroi. Zij beleven de stad echt heel anders dan het winkelmeisje uit Dampremy. Veel Walen lopen er dan ook niet mee met Nicolas. Wandelen door die geschiedenis is voor hen te pijnlijk.

Rij Doembergen

Vanaf  een steile helling langs de Maas kijken we uit over Seraing bij Luik waar de industrie nog ontzagwekkend aanwezig is. Uit een van de fabriekspijpen ontsnapt  regelmatig een immense rookpluim. Daar wordt cokes gemaakt door heel veel water op kokende steenkool te gooien. Een imposant schouwspel. Beneden in het centrum van Seraing lopen gasbuizen hoog over de daken. Ook Luik heeft zijn terrils bedekt met het frisse groen van berkenbomen en vlinderstruiken. Vroeger waren het naakte, zwarte steenhopen die dreigend als een vulkaan boven de stad uitstaken: het land Mordor van Tolkien,  met een hele rits doembergen. Vaders en moeders stuurden hun kinderen met een emmer de berg  op om steenkool te rapen. Op andere momenten roetsjte de jeugd naar beneden op stukken blik.

Papke

Vanuit het Maasdal voert het Sentier des Terrils ons omhoog naar de mijn van Blegny, een van de vier mijnen die sinds vorig jaar op de Werelderfgoedlijst staan. In de donkere krochten van deze mijn probeert gids Raoul een groep mannen en vrouwen te laten voelen hoe het werk in de mijn echt was. Zijn vader overleed op 52 jarige leeftijd aan stoflongen. Raoul, ruim in de zestig, had geluk. Hijwerkte bij de onderhoudsploeg, waardoor hij veel bovengronds was. Maar ook hij ging elke dag wel een paar keer de put in, en daar was geen plaats voor watjes: "Ge moest ballen aan uw lijf hebben", zegt Raoul trots. Beneden in het halfduister werd met ontbloot bovenlijf gewerkt om de hitte  te weerstaan. Om hun dorst te lessen dronken de mijnwerkers liters water dat vanuit de rotsen de mijn in stroomde. Ook snoven de mijnwerkers fijn gemalen intblaadjes en kauwden ze pruimtabak in de hoop dat de "koolstof in het papke bleef plakken".

Zwarte Hel

Inmiddels is de roetsluier van toen verdwenen en voelt het hier op zo'n zestig meter onder de grond  eerder koud dan warm.  Om toch bij de beleving van de mijnwerker te komen, mogen we de enorme boor bedienen waarmee gaten voor het dynamiet werden gemaakt. Een kolereherrie, alleen met vingers in de oren te verdragen. Raoul doet er nog een schepje bovenop door enkele keren mijngasalarm te geven. En hij legt uit hoe te handelen: "Niet panikeren, maar plat over de grond naar de telefoon kruipen en Chefke bellen voor extra ventilatie." Wat echt indruk maakt, is een smalle gleuf van zo’n halve meter breed. Dat was de plek waar de kolen werden weggebikt. Je hoeft niet claustrofobisch te zijn om je het geploeter in deze krappe ruimte als een zwarte hel voor te stellen. Aan het eind van de mijngang wordt Chefke dan toch echt gebeld, en even later schieten we met de lift omhoog naar het daglicht. "Jammer dat gij niet zwart zijt geworden, dan hadden we samen kunnen douchen", zegt Raoul lachend ten afscheid.

Esthetiek van de architectuur

Nee, het leven van de mijnwerker kun je in de mijn van Blegny, ondanks de inspanningen van de gids, niet echt meer navoelen. En dat geldt eigenlijk nog sterker voor de schitterend gerestaureerde mijncomplexen  van La Grand Hornu, Bois du Cazier en Bois du Luc. Te nieuw gemaakt om de hel te voelen. Daar voert de esthetiek van de architectuur de boventoon. Zoals het prachtige ovale binnenterrein van Le Grand Hornu of de strakke ordening van de mijnwerkerswoningen in Bois du Luc. Maar gelukkig kom je via het Sentier des Terrils ook op plekken waar het ruige verleden van de Waalse industrie aan zijn lot is over gelaten. Je loopt er over vermolmde spoorbielzen en langs roetzwarte gebouwen waar onkruid uit de muur groeit. Soms voert een kale trap omhoog naar, ja waarheen eigenlijk? Wat daar precies gebeurde, is niet altijd even duidelijk. Het zijn plekken, net als op de terrils, waar je makkelijker het beroete gezicht van de mijnwerker voor de geest haalt dan in een zorgvuldig gerestaureerd mijncomplex.