Van de Duivelsgrot naar het Hemels Gewelf

Langs de Maas tussen Maastricht en Luik is heel wat gegraven. Welke sporen zijn er nog te vinden van de winning van vuursteen, mergel, steenkool en ijzer? We wandelen in twee dagen van de oudste stad van Nederland naar de Vurige Stede.

 

Meer foto's

Het mooie van deze wandeling is dat je al in Maastricht de stenen uit de groeven langs onze route kunt zien en voelen. Voorzichtig krassen we met de nagels over de zachte mergelsteen van de Sint Servaas. In de smalle straatjes rond de kerk strijken we over gevels met fraai gefrijnd Belgisch hardsteen uit Visé. Samen met een echtpaar lopen we Maastricht uit, de Pietersberg op. Vanaf de platte top van de berg kijken we in een gapende wond vol lichtgeel zand. Geruisloos blaast een cementfabriek vanuit de groeve rookpluimen de lucht in. Met de verrekijker speuren we langs de randen van de afgraving. ‘Daar in een van de grotten zit de oehoe,’ zei een vogelkenner toen hij hoorde van onze plannen. ‘Die kan als hij honger heeft een vos te grazen nemen, zo groot is die uil.’ De oehoe laat zich niet zien.

Blokkenbrekers
De grotten in de Sint Pietersberg zijn de uitgangen van een kilometerslang gangenstelsel dat tot over de grens doorloopt. Hieruit werd de mergel al vanaf de dertiende eeuw door zogenaamde blokbrekers losgezaagd of gebroken. De Duivelsgrot is de eerste grot waar we langskomen en het is ook meteen een hele mooie. Voor het zwarte gat staat een man met oorwarmers, uit de grot klinkt muziek. ‘Ik woon hier, maar ik ben op doorreis.’ We mogen toch even binnen kijken. De muziek komt uit een radiootje, de wanden staan vol gekrast met namen en jaartallen. Echt diep de grot in, durven we niet.

Blitz
In het Belgische dorpje Kanne schuifelt een man met hond stijfjes voort. Van hem horen we dat de grotten niet alleen door uilen en grotnomaden worden gebruikt, maar dat je er ook veilig kunt schuilen in tijden van oorlog. Het gangenstelsel in Mont Saint Pierre was voor de oorlog omgebouwd tot het onneembaar geachte fort Eben-Emael. Het heeft de Duitse Blitz op 10 mei slechts een kwartier weerstaan. Boven landden de Duitsers met zweefvliegtuigen en van onder stormden ze de helling op. De man, toen veertien jaar oud, vluchtte een grot in. Het werd zijn redding. Elders in het gangenstelsel zaten soldaten als ratten gevangen. ‘Daar ginds liggen de grenadiers begraven,’ wijst hij. ‘Ze hadden geen schijn van kans.’

Zichen en Zussen
Verder maar weer langs het Albertkanaal, dwars door de mergelberg. Even in een roes langs zo’n rechte lijn lopen, is er deze keer niet bij. De blauwgrijze vuursteenlagen zijn door de afgraving zo mooi bloot komen te liggen dat je er niet zomaar aan voorbij kunt gaan. De Steentijdmens had hier zijn vingers bij afgelikt, zoveel waardevolle grondstoffen liggen hier voor het oprapen. We klimmen omhoog om even over de rand van het Maasdal te kijken. We zien glooiend akkerland met in de verte de kerktorentjes van Zichen en Zussen.

Globalisering
‘Weet U wel dat U hier helemaal niet mag komen?’ vraagt de portier, besmuikt glimlachend. Hij stond ons op te wachten. We leggen uit dat we braaf om het industrieterrein zijn gelopen. Door de hekken zagen we een indrukwekkende verzameling zwart geblakerde fabriekshallen. Maar gesis van ontsnappend stoom of gestamp van treinen hoorden we niet. “Doet ie het of doet ie het niet meer” vroegen we ons af. Onze portier geeft geen krimp. ‘Nee, de fabriek is open.’ De lange naam van het hoogovencomplex, MitalArcelorCockerill-Sambre, laat zien dat hier de handschoen van de globalisering is opgepakt. De naam van de fusiepartner plakte men steeds weer aan die van de vader van de Luikse staalindustrie, John Cockerill. Later lezen we dat in de afgelopen tijd de hoogovens in de regio twee keer zijn stilgelegd; voor de laatste fusie in 2006 en, nu de recessie heeft toegeslagen, opnieuw. Of het definitief is zal de toekomst leren.

Vurige Stede
Met het doven van de ovens in de regio Luik wordt de bijnaam van de stad, Vurige Stede, echt verleden tijd. Deze naam verwijst naar het vuur van de ovens en de strijdlust van de arbeiders in de ijzerindustrie. In de middeleeuwen werd er nog ijzer bij Luik gedolven en was Ardeens houtskool goedkoop en massaal beschikbaar. Later werd hier ook steenkool gedolven die de opmaat voor de staalindustrie vormde. De skyline van Luik wordt gedomineerd door de lange randen van het Ardeens plateau, grauwe Sovjet flats uit de jaren zestig en parmantige groene tietjes; de mijnbergen, die ze hier terrils noemen. Vroeger waren het naakte steenhopen, die als dreigende vulkanen boven de stad uitstaken. Kinderen klommen er tegenop en roetsjten op bakblikken weer naar beneden. Geen gezonde zaak, want ook zo kon je stoflongen oplopen, daar hoefde je de mijn niet voor in. Nu zijn de terrils groene oasen met bomen zoals es en berk. Het zijn eigenlijk de enige getuigen van de vele mijnen die aan de noordwest-rand van Luik hebben gelegen. Op een voetbalveld vinden we achter het doel nog wel een soort monumentje. Het is een achthoekige betonplaat. Dat hier ooit beroete mannen uit de mijnlift stapten is maar moeilijk voor te stellen.

Terrils
De Grande Randonee 412 voert ons van terril naar terril. Nu eens lopen we aan de rand van de stad dan weer over kasseien langs grauwe arbeidershuizen die tegen de helling zijn aangeplakt. Het oogt allemaal nog niet zo aangeharkt, daar houden we wel van. En natuurlijk van een Belgische pint. Nemen we een ‘Morte Subite’? Nee, die is volgens de kroegbaas erg zoet. Het wordt La Chouffe. Op de vleugels van het kabouterbier gaat het steil omlaag naar de Maas, naar Guillemins, het station van Luik. Adembenemend. Wat een immense overkapping. Zoiets groots verwacht je in Londen of Parijs, maar niet in Luik. Gevels ontbreken, je lijkt zo vanuit de trein de stad in te kunnen springen. Het station, een ontwerp van Calatrava, is helemaal wit. Wat een contrast met de tijd dat Luik nog de Vurige Stede was van stank, rook en zweet. Alleen de overkapping doet denken aan het verleden: Dat lijkt, met een beetje fantasie, wel een terril.