De tranen van Muley Hacen

La Alhama de Granada is een rustige badplaats op zo’n zestig kilometer van de stad Granada. De heilzame bronnen waren al populair bij de Romeinen. Later dompelden de Arabieren zich in het warme water. Het deed Muley Hacen, de een na laatste moslimkoning van Granada, veel verdriet toen Los Reyes catolicos zijn favoriete badplaats in 1482 veroverden. Anders dan de moskeeën, die onder de kerken verdwenen, is het Moorse bad buiten de stad nog steeds te bezoeken in het moderne kuuroord. Voor andere sporen van 500 jaar al-Andalus moet je wandelen door de lommerrijke Los Tajos kloof, waaraan het stadje ligt.

Verschenen in Wandeltijdschrift Op Lemen Voeten 14-4                                                                                   

Meer foto's

Het is bloedheet, zelfs de boomkikkers zwijgen. Onder de brug vult de forse tors van een man in knalrode zwembroek een waterbassin waar water doorheen stroomt dat even verder stroomopwaarts uit de grond spuit. Daar willen we onze bezwete lijven en vermoeide voeten ook wel in onderdompelen. Of het water lekker koud is, roepen we hem toe. “No, es muy caliente”, het is heel warm. Goed voor mijn stramme spieren” Niet alleen de warmte, ook het vooruitzicht het kleine bad met zijn bollende lijf te moeten delen, weerhoudt ons om er bij te kruipen.

De brug voert ons naar het officiële bronnenbad. Het lage flatgebouw roept eerder het beeld op van een ziekenhuis dan een kuuroord. De kaarsrechte rijen ruisende populieren verkoelen deze groene oase in het geelbruine land. Onder de lommerrijke platanen op het plein voor het gebouw zit een ouder Spaans stel te keuvelen. Een lange allee voert het bos in, naar een knalblauw thermaal zwembad. De siësta zit er bijna op en de eerste gasten slenteren met hun handdoekje onder de arm de laan af. Ze hebben alle tijd.

Moderne pijnbank

Wij gaan de andere kant op, het gebouw in. Boven aan de trap wacht Manuela ons op, een medewerkster die Engels spreekt. Het roodbruine hout en marmer geven het interieur een luxe uitstraling. Alles glanst en glimt. Een rondleiding langs de baden brengt ons eerst naar vertrekken die net zijn gerenoveerd. Er is gewerkt met grijze en blauwe tegels, veel glas en roestvrij stalen kranen en douches. We verbazen ons over een betegelde fauteuil waar van allerlei hoeken waterspuiten op je gericht staan. Ergens doet deze stoel denken aan de pijnbank van de Spaanse Inquisitie die we eerder zagen. “Nee, dit apparaat is bedoeld om vermoeide spieren los te masseren met het warme water uit onze bron”, grijnst onze gids. Helaas zijn de baden op dit uur dicht, dus ook hier is geen troost voor onze vermoeide voeten te halen. Heerlijk koel is het in de eeuwenoude gewelven van het Moorse bad. Het is er donker. Alleen drie dunne lichtbundels vallen door stervormige gaten in de koepel van het gewelf op het roerloze water. Als de lamp aangaat, onthult het gelige licht de hoefijzervormige bogen van het gewelf. De enorme stenen zijn uit een grijs-gele zandsteen gehouwen. Begerig steken we onze handen in het water. Lauwwarm! “Zesenveertig graden is het water dat daar achter uit een spleet in de rotsen opwelt”, doceert de gids. Het bevat sulfaten en bicarbonaten die een gunstige uitwerking hebben op de luchtwegen en het bewegingsapparaat.

Als de brandende zon bijna onder is zoeken de Alhamezen elkaar op in de avondkoelte. Het stadje Alhama, zo’n uur lopen van het bronnenbad, komt weer tot leven. Het geroezemoes van hun stemmen klinkt over het plein voor het gemeentehuis. Het nieuws wordt gedeeld. Oude mannen met petten op, hangen in hun grijze pantalons op een muurtje. De billen van vier vrouwen vullen alle gaatjes in een ijzeren bank. Joelende kinderen scheuren er op hun fietsjes tussendoor. De kiosk verkoopt alleen felgekleurd snoep. Zo stil als het badencomplex was, zo bruisend is het stadje.

Al Andalus

In het oude Arabische centrum is het veel rustiger. Hier klinkt geen Spaans maar Arabisch. Twee Marokkaanse mannen bij het fontein roepen hun zoontjes. Het zijn de verre nazaten van de Berber- en Arabierenstammen die in het jaar 710 na Christus de Straat van Gibraltar overstaken. Vijfhonderd jaar lang zouden ze het Iberisch schiereiland bestieren. Alhama was een belangrijke stad in hun rijk, strategisch gelegen langs de weg van Malaga naar Granada en Cordoba. De Arabische vorsten bouwden hier een kasteel en verschillende moskeeën. Onder de Umayyadendynastie kwam al-Andalus tot grote  bloei: mohammedanen, joden en christenen woonden er vredig en vruchtbaar samen. De Islamitische overheersing eindigde met de herovering van Granada door Los Reyes catolicos in 1492. Toen La Ahama de Granada tien jaar eerder werd veroverd, deed dit de Moorse vorst van Granada, Abu l-Hasan Ali bijgenaamd Muley Hacen, veel verdriet. Een onbekende dichter schreef wat er gebeurde toen een boodschapper hem het nieuws bracht: “Ach helaas, Alhama! Brieven hadden hem bereikt dat Alhama was ingenomen. De brieven wierp hij in het vuur. En de koerier liet hij doden. Ach helaas, Alhama!”  Muley Hacens moeder reageerde gevat: “Je huilt als een vrouw om datgene dat je als man niet verdedigen kon.”  

Na de val werd het Moorse Alhama in enkele decennia omgekat tot een katholieke stad. Ondanks de 16de eeuwse kaalslag lijkt de tijd in de oude wijk van Alhama stil te hebben gestaan. Alle fraaie zandstenen gebouwen in de Arabische wijk dateren van vlak na de herovering: de laat-gotische kerk van Santa Maria de la Encarnacion, het fontein Caño Wamba, de graanschuur en het gevang. Ook het Hospital de la Reina mag gezien worden. Nieuwsgierig lopen we door de openstaande houten deur naar binnen. In het grote trappenhuis is niemand te zien. Er klinkstemmen. Een groep jonge dertigers volgt een cursus van La Asociación Termalismo de Andalucía, die in het voormalige ziekenhuis gevestigd is. De acht Andalusische kuuroorden staan op een groot spandoek in de hal aangegeven. Lanjaron is daarvan de bekendste. Ook zijn er maar liefst zeven oranje stipjes; toekomstige kuuroorden, die de hoge werkloosheid in dit deel van Spanje moet terugdringen.

Netwerk van kanaaltjes

We klauteren onder weelderige notenbomen over een zigzaggend pad naar de stad boven op de rand van de kloof Los Tajos. Het laatste stuk van het pad is tergend steil. Wat moet de stad eenvoudig te verdedigen zijn geweest tegen aanvallers vanaf zee. Wandelen door de Los Tajos kloof is zelfs in de zomer heerlijk. De Rio Alhama heeft zich over een lengte van acht kilometer diep in het grijs-gele zandsteen ingesneden. De hoge rotswanden, het alom kabbelende water en de ratelpopulieren in de kloof bieden de koelte waar een zomerse wandelaar naar zoekt. Aan de zuidelijke toegang tot de kloof ligt het stuwmeer La Pantaneta. Een brede, groene rietkraag omzoomt het vlakke donkere water, dat even verder zilverglinsterend over een dam in een betonnen goot vloeit. De goot is de kraan is van een netwerk van bevloeiingskanaaltjes, bevloeide velden en watermolens in de kloof. Zelfs de populieren worden bevloeid via diepe ploegvoren in het bos. Een van de vier molens in de kloof is weer hersteld. ‘La Purisima, Finca de Harinas’ lezen we op de muur, ‘De zuiverste, boerderij van het meel’.  De andere molens, zoals de San Francisco, zijn vervallen. Weeïg geurende vijgenstruiken schieten uit de daken. Er is zelfs een aquaductje over de rivier. Overal in Spanje schrijft men dit soort watersystemen aan de Moren toe, maar ze zijn waarschijnlijk veel ouder. Wel hebben de Moren het systeem danig verfijnd. Toen de Spanjaarden ook bekeerde joden en Arabieren verdreven, mochten in elke stad twee Moren blijven wonen, anders zou de cruciale watervoorziening wel eens in het honderd kunnen lopen.